kart
Originvan Frans carte, in de betekenis van ‘landkaart’ aangetroffen vanaf 1532, in die van ‘speelkaart’ vanaf 1599
- schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
“Op de kaart stond namelijk dat er over 15 kilometer een meertje (Lake Morena) zou zijn, maar ik liep erg langzaam en het werd al laat.”
“Behalve digitale kaarten op mijn telefoon droeg ik ook papieren kaarten en een kompas met me mee, maar al na een aantal weken gooide ik alle papieren kaarten weg om gewicht te sparen.”
- bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
“Ik stuur je een kaartje.”
“Zet je vertrekdatum alvast in je agenda en stuur me een kaartje als je onderweg bent, zo kan ik ook een beetje van jouw avontuur meegenieten.”
- een kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
“De kennis in Nederland over de aarde is "eigenlijk een soort puzzel", legt Hoogendoorn van het KNGMG uit. "Er is ook een studie aardwetenschappen aan de Universiteit Utrecht, en bijvoorbeeld een techn”
- kaart of klein boekje in een horecagelegenheid met een overzicht van wat er zoal besteld kan worden
“Het is op dit moment de mode in chiquere, hippe restaurants om enkel de losse ingrediënten te vermelden, meestal afgewisseld met een sluisteken: 'Makreel | Venkel | Sesam | Mosterd | Schelvislever'. I”
- papieren of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van kaarten
- form-ofgebiedende wijs van kaarten
Formskaarten(plural) · kaartje(diminutive, singular) · kaartjes(diminutive, plural)