ˈkadər
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘frame, lijst’ voor het eerst aangetroffen in 1816
- rand die om iets (m.n. een afbeelding of schilderij) heen wordt aangebracht
“Die prent behoeft geen kader.”
- figuratively: situationele context, raamwerk, verband, achtergrond
“In het kader van de bezuinigingen wordt de uitgave met de helft verminderd.”
“'Joodse wijk? Nee, die bordjes zijn vorig jaar bevestigd in het kader van een multicultureel project van de gemeente.”
“Door de hele oostelijke Griekssprekende rijkshelft werden wedstrijden georganiseerd in traditionele Griekse stijl, maar wel vaak in het kader van de Romeinse keizercultus.”
- pluralleidinggevende medewerkers in een organisatie
“De vakbond heeft meer kaders nodig.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
- form-ofgebiedende wijs van kaderen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaderen
Vormenkaders(plural) · kadertje(diminutive, singular) · kadertjes(diminutive, plural)