HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘eenpersoonsvaartuigje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1847
- gesloten kano om in wild water of op zee te varen
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kajakken
- form-ofgebiedende wijs van kajakken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kajakken
Vormenkajakken(plural) · kajaks(plural) · kajakje(diminutive, singular) · kajakjes(diminutive, plural)