OriginHerkomst onzeker. Mogelijk van het Oudfriese kāp, in dat geval etymologisch verwant met kopen. Anders van Latijn capere "nemen/grijpen", in dat geval zou het ook een doublet van hebben kunnen zijn.
- transitivehet stelen van een voertuig (vrnl. schepen en vliegtuigen)
“Er worden bij Somalië soms schepen gekaapt.”
- transitivehet overvallen van een voertuig onderweg en het overnemen van dat voertuig, al dan niet gepaard met het gijzelen van inzittenden
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord kaap
Formskaapte(past) · gekaapt(past, participle) · te kapen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen kapen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen kapen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gekaapt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gekaapt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gekaapt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gekaapt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · kapend(imperfect, participle) · ev.
kaap(imperative) · kape(subjunctive) · kaap(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · kaapt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · kaapt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · kaapte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · kaapte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · kaapte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · kaapten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · kaapten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)