HerkomstIn de betekenis van ‘schraal, gierig’ voor het eerst aangetroffen in 1477
- zuinig, gierig, armoedig, gering
“Eenkarig.”
“Een karig.”
“De rest is geschiedenis, gedetailleerd te zien op de expositie in Assen. Achter het podium met de oude gitaren hangt het scherm waarop de films te zien zijn van de Amerikaanse bluesreizen die Muskee m”
Vormenkariger(uninflected, comparative) · karigst(uninflected, superlative) · karige(inflected, positive) · karigere(inflected, comparative) · karigste(inflected, superlative) · karigs(partitive, positive) · karigers(partitive, comparative)