ˈkɑsa
OriginLeenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘loket’ voor het eerst aangetroffen in 1914
- een plaats in een winkel waar men zijn aankopen betaalt
“De klant gaat naar de kassa om zijn boodschappen te betalen.”
- een plaats in een theater waar men zijn tickets reserveert of betaalt
“De bioscoopgangers moeten lang aanschuiven aan de kassa voor ze naar binnen kunnen gaan.”
- een machine in een winkel om van een klant ontvangen geld te registreren en te bewaren
“De winkelier steekt het ontvangen geld in de kassa.”
Formskassa's(plural) · kassaatje(diminutive, singular) · kassaatjes(diminutive, plural)