HerkomstIn de betekenis van ‘deel, perceel’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- stuk grond dat als één geheel in kadaster wordt beschreven
“Zij hadden een mooie kavel gekocht waarop ze hun huis konden bouwen.”
“Ik had op de kaart gezien dat ik mij zo zou vastlopen in hoven en binnentuinen als een stier in een rode lap. Ik moest er niet van uitgaan dat Venetië een stratenplan had. Het was niet zo dat er ooit ”
- één of meer voorwerpen die als één geheel worden geveild
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kavelen
- form-ofgebiedende wijs van kavelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kavelen
Vormenkavelen(plural) · kavels(plural) · kaveltje(diminutive, singular) · kaveltjes(diminutive, plural)