- transitiveiemand doden door het afsnijden van de keel
“Met een snelle haal van zijn mes keelde hij zijn vijand.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord keel
Vormenkeelde(past) · gekeeld(past, participle) · te kelen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen kelen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen kelen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gekeeld(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gekeeld(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gekeeld zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gekeeld te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · kelend(imperfect, participle) · ev.
keel(imperative) · kele(subjunctive) · keel(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · keelt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · keelt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · keelde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · keelde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · keelde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · keelden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · keelden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)