ˈkerə(n)
OriginIn de betekenis van ‘wenden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
- transitivede andere zijde toewenden
“Hij keerde de lap stof zodat de ongebruikte zijde te voorschijn kwam.”
- ergativeeen voertuig een bocht van 180 graden doen maken
“Ik vermoedde dat ik op de verkeerde weg zat en ben daarom maar even gekeerd en teruggereden.”
- transitivedoen omwenden, tegenhouden, terugdrijven
“"VU, hef niet je aardwetenschappen-afdeling op!", schrijft hoofdgeoloog van de Geologische Dienst Nederland, Michiel van der Meulen van TNO, in een oproep op LinkedIn. "Als ze dit besluit doorzetten, ”
- reflexivezich ~:
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord keer
“' 'Je bent met me naar bed geweest, Isaac. 'Meerdere keren' 'Ja.”
“Ze leek heel klein en tenger, en ik merkte dat Reede schrok; dit was een van de zeldzame keren dat hij zichzelf niet onder controle had.”
Formskeerde(past) · gekeerd(past, participle) · te keren(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen keren(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen keren(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gekeerd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gekeerd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gekeerd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gekeerd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · kerend(imperfect, participle) · ev.
keer(imperative) · kere(subjunctive) · keer(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · keert(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · keert(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · keerde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · keerde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · keerde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · keerden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · keerden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)