ˈketəl
Herkomstvia Middelnederlands ketel van Latijn catinus "schotel, kom" of het verkleinwoord daarvan catillus, in de betekenis van ‘vat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- meestal rond metalen vat, vaak geschikt om onder druk gezet te worden
“Zonder ketels zouden de stoommachine en de Industriële Revolutie niet mogelijk geweest zijn.”
- object om water aan de kook te brengen b.v. een fluitketel, waterketel
- keteldal
- kop van een aardewerken tabakspijp
Vormenketels(plural) · keteltje(diminutive, singular) · keteltjes(diminutive, plural)