klɪŋ
HerkomstLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lemmet’ voor het eerst aangetroffen in 1574
- het scherpe deel van een mes, sabel, zwaard of bajonet
“Verwijlen, vier jaar geleden in de olympische kwartfinale, weet al hoe hij zijn degen voor ‘Londen’ samenstelt. Met een kling van het Franse Blaise Frères, dat degens maakt van hoogwaardig staal met e”
- historical, obsoleteiemand van Zuidaziatische afkomst, Indiër
“In de schaduw van z'n overdekte ossekar rekte zich een Kling, wijd-gapend met blanke tanden, de taaie armen boven 't vrouwelijk getooide en gekapte hoofd. Diep wijnrood schemerde z'n lappenkleeding ui”
Vormenklingen(plural) · klingetje(diminutive, singular) · klingetjes(diminutive, plural) · Klingen(plural) · Klingetje(diminutive, singular) · Klingetjes(diminutive, plural)