/klɪŋk/
OriginIn de betekenis van ‘kruk, pal’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- handvat om de deur te openen of te sluiten
“Ik neem de klink vast en doe de deur open.”
- constructie om een deur gesloten te houden
“De klink is stuk waardoor de deur steeds opnieuw openzwaait.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klinken
- form-ofgebiedende wijs van klinken
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klinken
Formsklinken(plural) · klinkje(diminutive, singular) · klinkjes(diminutive, plural)