kurs
Herkomstvan Frans course
**[1], [2]: in de betekenis van ‘richting, route’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1463
**[3], [4]: in de betekenis van ‘prijs van geld, waardepapieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1497
- richting die een vaartuig of een vliegtuig in verloop van tijd aanhoudt
“Boven het overspoelde land van Schouwen-Duiveland vloog hij, om vervolgens koers te zetten naar Goeree-Overflakkee.”
“Nu Gorgel er niet meer bij is om ons door het landschap te loodsen, bedient Lauren de app waarop we de koers van onze tocht kunnen volgen, een navigatie-app die begint te piepen zodra we een verkeerde”
- figurativelyrichting waarin verplaatsingen of ontwikkelingen gaan
“Ik ben veel dank verschuldigd aan: mijn geweldige agent, Juliet Mushens, voor haar onwankelbare steun, zorg en advies, zowel bij het schrijven van dit boek als daarbuiten, en aan Jenny Bent, die de ko”
“Tijd is geen stroom meer waarvan je de koers zelf kunt bijsturen, maar iets wat van buitenaf wordt opgelegd, en je tegelijkertijd wordt afgenomen.”
“Verkiezingen zijn immers niet alleen hoogtijdagen in een parlementaire democratie, maar ook momenten waarop de koers van het land wordt bepaald.”
- ontwikkeling van de waarde van verhandelbare waardepapieren als obligaties, aandelen en opties
- waarde in verhouding tot die van andere valuta
- snelheidswedstrijd, met name van wielrenners, paarden of honden
“Ik heb geen talen om erelijsten van renners te onthouden. In dat opzicht is mijn geheugen zo lek als een band waarmee je Parijs-Roubaix verliest. Toch ben ik Zot van de koers.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koersen
- form-ofgebiedende wijs van koersen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koersen
“Koers je?”
“Ik koers op mijn intuïtie.”
Vormenkoersen(plural) · koersje(diminutive, singular) · koersjes(diminutive, plural)