ˈkokə(n)
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verhitten, spijzen toebereiden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
- transitiveeen vloeistof (vooral water) net zolang verwarmen totdat er zich in de hele vloeistof bellen vormen die naar boven stijgen en openspringen
“Het water werd gekookt.”
- ergativehet proces waarbij bellen uit de hele vloeistof vrijkomen
“Water kookt bij honderd graden Celsius op zeeniveau.”
- transitivemet behulp van ingrediënten een maaltijd klaarmaken
“De moeder kookt iedere dag voor haar kinderen en echtgenoot.”
“Er werd pap gekookt boven het houtvuur en een broodje voor de lunch bereid.”
“Tijdens het koken zat iedereen elkaar continu te stangen alsof we elkaar al jaren kenden.”
Vormenkookte(past) · gekookt(past, participle) · te koken(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen koken(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen koken(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gekookt(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gekookt(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gekookt zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gekookt te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · kokend(imperfect, participle) · ev.
kook(imperative) · koke(subjunctive) · kook(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · kookt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · kookt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · kookte(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · kookte(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · kookte(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · kookten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · kookten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)