ˈkokər
HerkomstLeenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘etui, huls’ voor het eerst aangetroffen in 901
- een smal cilindervormig hol voorwerp, bruikbaar als verpakking
“In de verborgen koker zat een geheim testament.”
- een keukenapparaat waarin iets kan gekookt worden
“Mama was erg blij met de nieuwe koker voor haar keuken.”
Vormenkokers(plural) · kokertje(diminutive, singular) · kokertjes(diminutive, plural)