/kɔrst/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘rand van iets die taaier is dan de rest’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- een harde buitenste laag om iets dat verder relatief zacht is
“Kinderen willen vaak de korst van hun brood niet opeten.”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van korsten
- form-ofgebiedende wijs van korsten
Vormenkorsten(plural) · korstje(diminutive, singular) · korstjes(diminutive, plural)