krɛŋ
OriginLeenwoord uit het Frans. In de betekenis van ‘aas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1429, in die van ‘gemene vrouw of kind’ voor het eerst in het jaar 1617
- het – vaak al deels ontbonden – stoffelijk overschot van bepaalde dieren (vooral vogels en zoogdieren)
“Het kreng was al deels vergaan.”
- informaleen gebruiksvoorwerp dat ergernis oproept
“Op Marktplaats een hometrainer gekocht, maar het kreng deed het nooit goed.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krengen
- form-ofgebiedende wijs van krengen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krengen
Formskrengen(plural) · krengetje(diminutive, singular) · krengetjes(diminutive, plural)