lars
HerkomstVan Middelnederlands laerse, een samentrekking van lederhose. In de betekenis van ‘schoeisel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- een schoen met een hoge schacht die een deel van het been bedekt
“Zij heeft bijna altijd laarzen aan.”
“Ze ruimden vooral toiletpapier, sigarettenpeuken, blikjes, flessen en voedselverpakkingen op. Soms ook zelfs plastic driewielers, leren laarzen en een bierflesje met een dode muis erin.”
Vormenlaarzen(plural) · laarsje(diminutive, singular) · laarsjes(diminutive, plural)