/ˈlaːdə(n)/
OriginIn de betekenis van ‘bevrachten, inladen’ voor het eerst aangetroffen in 1236
- transitivevan een lading voorzien
“A. Het laden van het schip duurt nog maar een halve dag.”
“B. Voor we op patrouille gaan laden we de wapens met scherpe munitie.”
“C. Na het laden van een nieuw programma en data werkt de machine weer als vanouds.”
- transitivevan elektrische energie voorzien
“Op het terrein zijn aansluitpunten om de accu van uw fiets of auto bij te laden.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord lade
Formslaadde(past) · geladen(past, participle) · te laden(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen laden(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen laden(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geladen(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geladen(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geladen zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geladen te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · ladend(imperfect, participle) · ev.
laad(imperative) · lade(subjunctive) · laad(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · laadt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · laadt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · laadde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · laadde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · laadde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · laadden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · laadden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)