ˈlaɣər, /ˈlaːχər/, /ˈlaːɣər/
HerkomstLeenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘deel van een werktuig waarop de as steunt’ voor het eerst aangetroffen in 1908
- masculine, neuteren een constructie die er voor zorgt dat verschillende delen van die constructie beter ten opzichte van elkaar kunnen bewegen door het verlagen van de wrijving
- neutereen ondergistende biersoort met een alcoholgehalte van 2,5%-3%
- form-ofonverbogen vorm van de vergrotende trap van laag
“Ik had een klamme rug van het zweet en het plafond leek lager dan een uur geleden.”
“Op het steile pad kwam ik nog altijd grote sneeuwvelden tegen en op een van de laatste hiervan zag ik in de verte opeens twee meisjes vlak achter elkaar de berg af glijden. Ik schrok me rot, ze kwamen”
Vormenlagers(singular) · lagertje(diminutive, first-person) · lagertjes(diminutive, singular)