ˈlezər
HerkomstLeenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘stralingsversterker’ voor het eerst aangetroffen in 1964
- lichtbron die uiterst intense lichtstraal van één kleur uitzendt
“Voor veel lasers geldt dat zij ernstige beschadigingen aan de ogen kunnen veroorzaken.”
- bepaald soort zeilboot voor één persoon
“Binnen enkele maanden kocht mijn vader een laser voor me, een rank zeilbootje dat pijlsnel door het water kan planeren en waarmee je een echte wedstrijdspirit ontwikkelt.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laseren
- form-ofgebiedende wijs van laseren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van laseren
Vormenlasers(plural) · lasertje(diminutive, singular) · lasertjes(diminutive, plural)