HerkomstLeenwoord uit het Engels of Spaans. Verder te herleiden tot Latijn laqueus. In de betekenis van ‘werpkoord met strik’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1836.
- een touw met verschuifbare lus om door er mee te gooien koeien en paarden ermee te vangen
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassoën
- form-ofgebiedende wijs van lassoën
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassoën
Vormenlasso's(plural) · lassootje(diminutive, singular) · lassootjes(diminutive, plural)