ˈlatə(n)
Originerfwoord in de betekenis van ‘niet verhinderen, nalaten, afstaan’ aangetroffen vanaf 1236
- auxiliarymaakt een causatief uit een ergatief werkwoord: veroorzaken dat het gebeurt
“Hij liet zijn auto repareren.”
“Ondanks dat er honderd redenen zijn waarom iets niet kan of onhandig is, liet deze doodgewone familie uit Yorkshire zien dat het wel gewoon kan.”
“Heffingen maakten Chinese auto's niet duurder: Afgelopen zomer voerde de EU nog heffingen in om de Europese auto-industrie te beschermen tegen de veel goedkopere auto's uit China. Maar volgens branche”
- auxiliarymaakt een causatief uit een ergatief werkwoord: toestaan dat iets gebeurt
“Hij liet de boter smelten.”
“Vaak wisselde ik van sokken tijdens rustpauzes om mijn voeten in zon en wind te laten drogen.”
- transitivehet niet doen
- transitiveer niets aan veranderen
- transitivevan zich laten gaan
“Een traan laten.”
“Een wind laten.”
- transitivevertrekken zonder hem mee te nemen
“Zij liet hem daar.”
“Gebruikers van deze app lieten opmerkingen achter om kwaliteit en kwantiteit van het water aan te geven, voorzien van een datum, waaruit op te maken was of een bron wel of niet was opgedroogd.”
- aansporing om iets te doen
“Laat dit een voorbeeld zijn.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord laat
Formsliet(past) · gelaten(past, participle) · te laten(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen laten(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen laten(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gelaten(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gelaten(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gelaten zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gelaten te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · latend(imperfect, participle) · ev.
laat(imperative) · late(subjunctive) · laat(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · laat(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · laat(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · liet(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · liet(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · liet(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · lieten(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · lieten(indicative, imperfect, past, plural, second-person)