/'la.tɛks/
HerkomstLeenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘melksap der rubberbomen, rubberachtig materiaal’ voor het eerst aangetroffen in 1931
- melksap van de rubberboom Hevea brasiliensis, waaruit rubber wordt gewonnen
- grondstof van synthetisch bereide rubberachtige materialen
- muurverf op basis van latex
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van latexen
- form-ofgebiedende wijs van latexen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van latexen
Vormenlatexje(diminutive, singular) · latexjes(diminutive, plural)