- transitivevan zijn vulling ontdoen
“Heb je de afvalbak al geleegd?”
“Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.”
“Zo stil mogelijk ging ik rechtop in mijn slaapzak zitten en probeerde mijn overvolle blaas geruisloos te legen.”
Formsleegde(past) · geleegd(past, participle) · te legen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen legen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen legen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben geleegd(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben geleegd(active, infinitive, perfect, present, long-form) · geleegd zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · geleegd te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · legend(imperfect, participle) · ev.
leeg(imperative) · lege(subjunctive) · leeg(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · leegt(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · leegt(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · leegde(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · leegde(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · leegde(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · leegden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · leegden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)