ˈleɣər, /ˈleːχər/, /ˈleːɣər/
HerkomstIn de betekenis van ‘ligplaats (van dier)’ voor het eerst aangetroffen in 1100
- een militaire strijdmacht
“Het leger trok van Spanje naar Nederland.”
“Het Afrikaanse leger staat op het punt Spanje binnen te trekken om ons te steunen bij onze taak het onwaardige bewind te verpletteren dat het op zich heeft genomen om Spanje te vernietigen en te veran”
“Het leger was ingekrompen en de uitrusting grotendeels verouderd.”
- een ondiep kuiltje in het veld of onder begroeiing waar een haas, vos of hert in ligt
- form-ofonverbogen vorm van de vergrotende trap van leeg
“' In haar hoofd ziet ze de leger wordende geldkist van Johannes, de opgestapelde, zwarter wordende suiker op de bovenste verdieping van zijn pakhuis.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
- form-ofgebiedende wijs van legeren
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van legeren
Vormenlegers(plural) · legertje(diminutive, singular) · legertjes(diminutive, plural)