HerkomstNaamwoord van handeling van lenen met het achtervoegsel -er
- iemand die iets van iemand anders leent
“Steeds meer bibliotheken stoppen met het opleggen van boetes als boeken, cd's of ander materiaal niet tijdig worden teruggebracht. Naar schatting een derde van de leners in Nederland hoeft al geen boe”
“Over het algemeen is de hypotheekmarkt gezond, maar een deel van de leners heeft nog steeds een risicovol profiel. Dertien procent betaalt meer dan 40 procent van zijn inkomen af aan de hypotheek; bij”
“En daarom zijn de naïeve leners van nu altijd weer de sukkels van morgen. Word wakker lener! Kijk naar financiële struisvogels als Italië en Griekenland. Jarenlang leken ze te genieten en te floreren,”
- iemand die iets aan iemand anders leent (veel zeldzamer dan betekenis 1)
Vormenleners(plural)