/ˈlepəɫ/
HerkomstIn de betekenis van ‘eetgereedschap’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- een voorwerp bestaande uit een greep en een kom(metje), waarmee vloeibaar voedsel wordt gegeten
“' Ik knik en plant mijn lepel in de yoghurt, die zo dik is als hangop.”
“Een grote kwak Griekse yoghurt, zo stevig dat mijn lepel rechtop blijft staan.”
- een hoeveelheid die overeenkomt met de inhoud van een thee-, dessert- of eetlepel (resp. 5, 10 en 15 ml)
- een oor van een konijn of van een haas
- onderdeel van een hoofdstel bij tuigpaarden
- blinkend kunstaas dat lijkt op een klein blinkend visje
“Als we met de jol naar mijn vaste plek roeiden, was het in het ergste geval binnen tien minuten nadat we onze lepels in het water hadden laten zakken voorbij.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
- form-ofgebiedende wijs van lepelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lepelen
“Lepel je?”
“' Nikki doet aanvankelijk of ze geïnteresseerd is, dus ik lepel nog een paar weetjes op.”
Vormenlepels(plural) · lepeltje(diminutive, singular) · lepeltjes(diminutive, plural)