ˈlerə(n), /ˈlɪːrə/, /ˈleːrən/
HerkomstIn de betekenis van ‘kennis verwerven, onderrichten’ voor het eerst aangetroffen in 901
- van leer vervaardigd
“' Hij lachte weer even, maar deed er toen het zwijgen toe en trok zijn modieuze leren jasje wat strakker om zich heen, alsof dat hem troostte.”
“Hij maakte een verstrooide indruk, zoals hij midden in zijn studeerkamer achter zijn bureau zat, aan zijn lot overgelaten op de Marokkaanse kleden die hij van een tapijthandelaar in Malaga had gekocht”
“Hij droeg een groene bandana in zijn lange haar en had als een van de weinigen hoge leren bergschoenen om zijn zwakke enkels te beschermen.”
- kennis of vaardigheid verwerven
“En zo had Giorgos tijd alleen met mijn kinderen, zodat ze elkaar een beetje zouden leren kennen.”
“Kies je eigen weg, maak je eigen keuzes, leer je eigen lessen.”
- kennis of vaardigheid doen verwerven
“We praatten de hele dag en hij leerde me hoe ik veilig een gevaarlijke sneeuwbrug over kon steken door mijn wandelstokken horizontaal te houden voor het geval de sneeuw onder me wegviel en ik in de ov”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord leer
Vormen(alleen(uninflected, positive) · attributief)(uninflected, positive)