lɪxt
Originzn: erfwoord via Middelnederlands licht zn van Oudnederlands lieht zn , in de betekenis ‘uitstraling van zon e.d.’; aangetroffen vanaf 901
Dit woord gaat terug op Oergermaans *leuhada- en Indo-Europees *leuk-ot- (vergelijk Hettitisch 𒇻𒊌𒄩𒀜 [lu-uk-ḫa-at] "dageraad"), een deverbatief afgeleid van *leuk- ~ *louk- ‘helder; schijnen’, waaruit Latijn lūcēre ww "verlichten, lichten", Welsh llug bn "helder" en Russisch луч zn (loetsj) "lichtstraal", net als Duits Licht, Nedersaksisch licht, Fries ljocht zn en Engels light zn .
- elektromagnetische golven die met het oog kunnen worden waargenomen (met een golflengte van 420-780nm)
“Een bundel licht van buiten schijnt door de spleet tussen de gordijnen naar binnen.”
“Niemand wist wat dat blauwe licht was geweest, misschien statische energie van de storm of een bolbliksem?”
- lamp of andere lichtbron
“Hij deed het licht uit voordat hij naar bed ging”
“Met stramme benen kom ik uit bed en knip het licht aan.”
- figurativelyverhelderende openbaring of helder inzicht
“Na vele jaren vergeefs op school gezeten te hebben zag de jongen eindelijke het licht.”
- bleek, helder van tint of kleur
“De echte mens zal zo lang mogelijk proberen zich te beheersen, zich op z'n hoogst verraden door een licht trillertje in de stem.”
“De chique, ruime schrijftafel van ebbenhout, die stijlvol was ingelegd met lichtere houtsoorten, die voor het raam was geplaatst naast de openslaande deuren naar het terras en die gepaard was aan een ”
- van een gering gewicht
“Het apparaat – niet de lichtste optie met zijn 178 gram – was even groot als een Snicker en hoefde maar een keer per week opgeladen te worden.”
“Het was prachtig om te horen hoe bevlogen Scrambler over Grandma Gatewood vertelde en hoe hij ervan droomde om ook ooit met zo’n lichte uitrusting te lopen.”
- luchtig, licht verteerbaar
- onbeduidend, futiel
- gemakkelijk, weinig moeite kostend
- enigszins
- lichtelijk
- een beetje
- een tikkeltje
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van lichten
- form-ofgebiedende wijs van lichten
Formslichten(singular) · lichtje(diminutive) · lichtjes(diminutive, singular)