ˈlodə(n)
Herkomstbn [1], ww: afgeleid van lood zn met het achtervoegsel -en
- van lood vervaardigd
“Zijn stoffelijk overschot werd in een loden kist bewaard.”
- uit loden vervaardigd
“De jager was gekleed in zijn loden overjas.”
- waterdichte, zware dichte wollen stof, doorgaans groen van kleur
“Echt loden wordt gemaakt van zuiver scheerwol.”
- obsoletede waterdiepte peilen met een dieplood, en eventueel tevens een monster van de bodem nemen door een vetgemaakte holte in de onderkant van het dieplood
“Bij het loden bleef de diepte gelijk evenals de soort opgehaalde grond.”
Vormen(alleen(uninflected, positive) · attributief)(uninflected, positive)