HerkomstIn de betekenis van ‘ritsig, tochtig’ voor het eerst aangetroffen in 1477
- een vruchtbare vrouwelijke hond die gedekt wil worden door een mannelijke hond
“De loopse hond trok veel aandacht van de reuen”
“Gelukkig was de loopse teef gesteriliseerd zodat ze niet drachtig kon worden.”
Vormenloopser(uninflected, comparative) · loopst(uninflected, superlative) · loopse(inflected, positive) · loopsere(inflected, comparative) · loopste(inflected, superlative) · loopsers(partitive, comparative)