ˈlopər
Originvan Middelnederlands loper / lopere, op te vatten als naamwoord van handeling van lopen met het achtervoegsel -er
- personiemand die loopt of rent
“Wie de 10 km niet in circa 60 minuten kan lopen, wordt als beginnende loper beschouwd.”
“Overal ter wereld was de lokale bevolking gastvrij en verwelkomde vermoeide lopers met een warme kop thee of een bed voor de nacht.”
- sleutel waarmee een hele serie verschillende sloten geopend kunnen worden
- woord dat weliswaar in elke zin past, maar weinig zegt; passe-partout(woord)
- een schaakstuk dat zich slechts diagonaal verplaatsen mag
“Wit kreeg de e-lijn in zijn bezit en kwam met een loper binnen op d7 zodat er geen zwarte toren meer op e8 kon komen.”
- langgerekt stuk vloerbedekking:
“De rode loper voor iemand uitrollen.”
- tafelkleed dat als een strook op de tafel wordt gelegd
- een stuk gereedschap waarmee stoffen op een wrijfplaat fijngewreven worden
“Voor het maken verf wrijf je met een loper het pigment fijn.”
- bovenste, ronddraaiende molensteen
Formslopers(plural) · lopertje(diminutive, singular) · lopertjes(diminutive, plural)