/lʏxt/
OriginIn de betekenis van ‘gasmengsel van zuurstof en stikstof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
- mengsel van gassen waaruit de atmosfeer bestaat
“Het apparaat gaf aan dat de lucht niet schoon was.”
“Bijna iedereen ter wereld woont op plekken waar de lucht te vies is.”
- hemel, uitspansel
“In de lucht cirkelde een helikopter.”
“Dat kwam waarschijnlijk omdat je in de woestijn altijd alles om je heen kon zien, maar ook doordat ik uit het vlakke Nederland kom, waar ik gewend ben aan weidse landschappen met vergezichten en hoge ”
- geur, stank
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van luchten
- form-ofgebiedende wijs van luchten
Formsluchten(plural) · luchtje(diminutive, singular) · luchtjes(diminutive, plural)