maˈɣi
Herkomstvan Frans magique, in de betekenis van ‘toverkunst’ aangetroffen vanaf 1650
- toverkunst; kracht waar een tovenaar over beschikt door met rituelen, symbolen en bezweringen de hulp van bovennatuurlijke machten in te roepen.
- figurativelyeen heel bijzonder iets
“Dit keer rookte ik twee dikke joints achter elkaar in de hoop eindelijk te ontdekken waar de magie zat.”