/malə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘fijnmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
- transitivetussen twee harde voorwerpen fijnwrijven
“Ik heb verse koffie gemalen.”
- transitiveuitpompen met een molen of gemaal
- transitivekauwen
- intransitivevervelende gedachten door het hoofd laten gaan, tobben
“Ik heb slecht geslapen, want de hele nacht bleef ik maar malen over de zinnen die Emil in dat gastenboek had geschreven en over de woorden waarmee hij zijn bericht had afgesloten: uit Joegoslavië.”
- obsoleteschilderen
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord maal
“Een aantal malen keek hij om.”
“Op sommige auteurs kom ik meerdere malen terug, in de bedoeling hun opvattingen met elkaar in verband te brengen.”
“In°de periode tussen 1450 en 1668 kregen Amsterdam en de rest van Nederland tientallen malen te maken met de pest.”
- een hoeveelheid die het veelvoud is van het oorspronkelijk genoemde
“We hadden allebei een blikje bier meegenomen dat na de lange hete dag vele malen beter smaakte dan ooit in de kroeg.”
Vormenmaalde(past) · gemalen(past, participle) · gemaald(past, participle)