HerkomstIn de betekenis van ‘nekhaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
- transitivegebieden iets te doen
“De moeder maande haar kinderen de troep op te ruimen.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord maan
“Een beetje wiebelig van de Dubonnet wierp ik een snelle blik op alle gezichten, kleine manen die allemaal waren gestopt met draaien, voor mij.”
“Niet alleen de planeet zelf, maar ook de manen van Jupiter kunnen in de vuurlinie liggen.”
- plural-onlyruige beharing op de nek van een leeuw of van een paard
Vormenmaande(past) · gemaand(past, participle) · te manen(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen manen(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen manen(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gemaand(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gemaand(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gemaand zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gemaand te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · manend(imperfect, participle) · ev.
maan(imperative) · mane(subjunctive) · maan(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · maant(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · maant(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · maande(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · maande(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · maande(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · maanden(indicative, imperfect, past, plural, first-person) · maanden(indicative, imperfect, past, plural, second-person)