ˈmɑna
Herkomstvia Middelnederlands manna, laat Latijn manna en Oudgrieks μάννα (mánna) van Hebreeuws מָן zn (man), in de betekenis van ‘hemels voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1285
- voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het Hebreeuwse woord is 'man'; dat kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20; ook 3× in NT)
- Fraxinus ornus pluim-es of manna-es
- figurativelyiets dat men gratis, zonder inspanning heeft gekregen
“Het startkapitaal was dus gratis, manna uit de hemel.”