ˈmɑrᵊkt
Herkomstvan Latijn mercatus zn "markt", wat weer is afgeleid van mercari ww "handel drijven"; in de betekenis van ‘plaats voor openbare handel’ aangetroffen vanaf 1240
- plein of straat waar handelaren hun waar (3) aan de klanten verkopen
“Het was druk op de markt.”
“'Kijk nou eens, een teentje,' zegt ze, terwijl ze zich bukt en Thea's voet pakt alsof ze een visvrouw is die op de markt kritisch garnalen bekijkt.”
“Maar als ze de gang in loopt, kolkt er één gedachte door haar hoofd: als zij en Walter deze pop niet hebben gemaakt, wie in deze stad vol geheimen heeft het dan wel gedaan? IX Zze zullen deze avondmaa”
- het geheel van omstandigheden waaronder gevraagde en aangeboden hoeveelheden van een bepaald product of een bepaalde dienst verhandeld worden tegen een bepaalde prijs
“Dat ligt goed in de markt.”
“En herkomst is van belang, meneer Scott, als u ervoor kiest om het schilderij tentoon te stellen of op de markt te brengen.”
“Ik wil dat mijn schilderijen zo waardevol en zo belangrijk worden dat niemand ze van de markt kan halen en kan laten verdwijnen omdat ze - God verhoede! - door een vrouw zijn geschilderd! Maar het is ”
- form-ofenkelvoud tegenwoordige tijd van markten
- form-ofgebiedende wijs van markten
Vormenmarkten(plural) · marktje(diminutive, singular) · marktjes(diminutive, plural)