ˈmatəx
HerkomstLeenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘binnen redelijke maat’ voor het eerst aangetroffen in 1475
- in geringere mate dan mogelijk of gewenst
“Hij is een matige eter.”
- niet zo goed
“Een onbekende stem vertelde een eindeloos lange mop met een zeer matige clou, maar ik was allang blij afgeleid te worden.”
“Zo kon je altijd wel een grap of opmerking maken over iets dat niet goed geregeld was, zoals matig eten of kaartlezen op weg naar Zuid-Frankrijk.”
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
- form-ofgebiedende wijs van matigen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van matigen
Vormenmatiger(uninflected, comparative) · matigst(uninflected, superlative) · matige(inflected, positive) · matigere(inflected, comparative) · matigste(inflected, superlative) · matigs(partitive, positive) · matigers(partitive, comparative)