ˈmerəl, /ˈmɪːrɔɫ/, /meːrəl/
Herkomstvia Middelnederlands merle van Latijn merula, in de betekenis van ‘zangvogel’ aangetroffen vanaf 1240
- bepaald soort zwarte vogel met een gele snavel, Turdus merula, uit de familie van de lijsters
“Wij hebben de laatste tijd veel merels in de achtertuin.”
“Pierewiet. Pierewiet. Het lied met pierewiet gaat over een merel in de lente. Dat mag best, nu de lente in het jasje van de herfst is gaan wonen. Samuel heeft geregeld muziektherapie en voor woorden a”
- feminine, namemeisjesnaam
Vormenmerels(plural) · mereltje(diminutive, singular) · mereltjes(diminutive, plural) · Merels(genitive, singular)