ˈmetə(n)
Herkomsterfwoord van Middelnederlands meten, in de betekenis van ‘een maat bepalen’ voor het eerst aangetroffen in 1240; dit gaat weer terug op Oudnederlands metan dat in de 10e eeuw is aangetroffen
- transitivede waarde van een bepaalde grootheid bepalen door deze te vergelijken met een ijkwaarde
“Hij mat de lengte van de kamer met een meetlat.”
“Dat Olive haar aandacht naar iemand anders had verlegd, was een kloppende zweer, een eigenaardig soort kwelling; de eenzaamheid was lastig te meten zolang de bron ervan zich voor haar ogen bevond, de ”
“Nu weet ik toevallig best wat van de Ellinikí kouzina, die zich volgens sommige foodies gemakkelijk kan meten met de andere landen rond de Middellandse Zee.”
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord meet
Vormenmat(past) · meette*(past) · gemeten(past, participle) · te meten(active, infinitive, imperfect, present, long-form) · zullen meten(active, infinitive, imperfect, future, short-form) · te zullen meten(active, infinitive, imperfect, future, long-form) · hebben gemeten(active, infinitive, perfect, present, short-form) · te hebben gemeten(active, infinitive, perfect, present, long-form) · gemeten zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, short-form) · gemeten te zullen hebben(active, infinitive, perfect, future, long-form) · metend(imperfect, participle) · ev.
meet(imperative) · mete(subjunctive) · meet(indicative, imperfect, present, singular, first-person) · meet(indicative, imperfect, present, singular, second-person) · meet(indicative, imperfect, present, singular, third-person) · mat(indicative, imperfect, past, singular, first-person) · mat(indicative, imperfect, past, singular, second-person) · mat(indicative, imperfect, past, singular, third-person) · maten(indicative, imperfect, past, plural, first-person)