ˈmetər
HerkomstLeenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘100 centimeter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1802
- masculinede SI-basiseenheid van lengte, weergegeven met symbool m
“Wandeling: 12 kilometer, 300 meter stijgen en l00 meter dalen, 4 uur Lauren Nikki zit met betraande ogen tegen Gijs aan.”
“Amateurwielrenners op de Planche des Belles Filles leggen de laatste 200 meter vaak te voet af.”
“Als je hier zou uitglijden zou je honderden meters naar beneden vallen.”
- masculinemeetinstrument, gereedschap of toestel om grootheden (maten, gewichten) te bepalen (zie ook meter)
“De wijzer van de meter mag niet in het rode gebied komen.”
- masculineiemand die metingen verricht of meters afleest
- feminine: een doopmoeder
Vormenmeters(plural) · metertje(diminutive, singular) · metertjes(diminutive, plural)