/'mo.χə(n)/
HerkomstIn de betekenis van ‘vrijheid hebben te, vermogen’ voor het eerst aangetroffen in 1200
- modal, verbergens toestemming voor hebben
“Hij mag veel te veel.”
“Wij mochten niet komen.”
“Ik vond binnen vijf minuten een blokhut in de buurt voor de hele groep. Die avond zouden we eindelijk een gezonde maaltijd kunnen koken. Na de lunch mochten we erin.”
- impersonaltoegestaan zijn
- transitiveaardig/sympathiek vinden, houden van (in deze betekenis vaak gevolgd door graag)
“Ik mag die jongen wel”
“Albert mocht hem niet. Misschien omdat hij knap was.”
“Zo iemand moest je wel mogen. Bewonderen zelfs, omdat ze het niet altijd even gemakkelijk kon hebben gehad in haar leven.”
- modal, verbdrukt een wens uit ten aanzien van het grammaticale onderwerp
“Mogen zij in vrede rusten.”
- modal, verbkunnen
“Je mag aannemen dat het zo klopt.”
“Het mocht niet baten.”
- modal, verbdrukt uit dat iets tot de mogelijkheden behoort, maar niet noodzakelijkerwijs hoeft te zullen gebeuren; in deze betekenis alleen onvoltooid verleden tijd
“Mocht het toch anders lopen, dan bekijken we deze zaak opnieuw.”
- transitivelusten ww
- euphemistic, modal, verbiets moeten
“'Je mag best de afwas doen en je rotzooi opruimen' zei de vrouw tegen haar slordige en luie man.”
“Op 10 juli 2019 bereikt la belle fille op haar racefiets zwoegend de top. Ze zou net als haar voorgangers uit de 17de eeuw ook wel een frisse duik willen nemen, maar voorlopig volstaan gulzige slokken”
Vormenmocht(past) · gemogen*(past, participle)