/naːkt/
HerkomstIn de betekenis van ‘bloot’ voor het eerst aangetroffen in 1236
- zonder beharing of andere fysieke bescherming van de huid, ontkleed
“Niet iedereen op de trail stond te trappelen om in Adamskostuum op pad te gaan, maar van de zes mensen waarmee ik die nacht had gekampeerd, deden er drie naakt hun rugzak aan.”
“Ze hebben gesproken over samen onder één dak wonen, ze hebben elkaar naakt gezien.”
- puur, onverbloemd, zonder franje
“De naakte waarheid, zei de revisor, is dat de naakte cijfers bewijzen dat uw uitgeverij zonder haar blootblad niet rendabel zou zijn.”
- afbeelding van een naakte persoon of groep, inz. als kunstwerk of porno
- naaktheid als begrip
“Hij is niet vies van een beetje naakt.”
- form-oftweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
- form-ofderde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van naken
- form-of, obsoletegebiedende wijs meervoud van naken
Vormennaakter(uninflected, comparative) · naaktst(uninflected, superlative) · naakte(inflected, positive) · naaktere(inflected, comparative) · naaktste(inflected, superlative) · naakts(partitive, positive) · naakters(partitive, comparative)