“Op een van zijn avontuurlijke reizen is Baron von Münchhausen de gast van een nabob.”
figurativelyiemand die rijk is geworden in Nederlands-Indië
“Vooral hun sporen zullen we dit jaar zien op de grotere tentoonstellingen: de Japanse kamerschermen, het Chine de Commande, de sitsen beddespreien en japonse rokken, die men kon aantreffen in de huize”
figurativelyiemand die heel rijk of machtig is
“Ik, een nabob uit het rijke noorden die nee zou zeggen tegen dit kind? Geen sprake van. Welk opperwezen dan ook zou me later voor die hardvochtigheid straffen. Voor een euro kocht ik een pakje.”