ˈnaɣəl
HerkomstIn de betekenis van ‘hoornplaat op laatste teen- en vingerkootjes’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287.
- dunne, doorzichtige plaat van harde keratine op de bovenkant van vinger- en teentoppen van mensen en primaten
- afdruk van een nagel
- spijker 1 (meestal met een kleine kop)
- kruidnagel
- smalle onderste gedeelte van een bloemblaadje
- form-ofeerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nagelen
- form-ofgebiedende wijs van nagelen
- form-of, inversiontweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nagelen
Vormennagels(plural) · nagelen(plural) · nageltje(diminutive, singular) · nageltjes(diminutive, plural)