/ˈnahʏm/
Herkomstvia Middelnederlands Naum, Latijn Nahum en Oudgrieks Ναοὺμ (Naoum) van Hebreeuws נַחוּם en (Nachoem) "getroost", naam van een persoon in de Bijbel
- profeet wiens woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek, een Elkosiet (Nah. 1:1)
- boek in de Bijbel, waarin de profeet Nahum een hoofdrol speelt
VormenNahums(genitive, singular)
Bron: Wiktionary