ˈnamə(n), /namə(n)/, /namə(n)/
- form-of, pluralmeervoud van het zelfstandig naamwoord naam
“De jongen naast me deed zijn koplamp aan waardoor de in de muur gekraste namen zichtbaar werden: hier waren al eerder mensen gestrand.”
“Betrokkenheid: Ook bijvoorbeeld de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed maakt gebruik van faciliteiten en kennis van de afdeling, net als grote ingenieursbureaus. Daarnaast hebben grote namen in de indu”
- form-ofmeervoud verleden tijd van nemen
“Wij namen.”
“Jullie namen.”
“Zij namen.”
- een provincie in het zuiden van België
- toponymicstad in de gelijknamige Belgische provincie
VormenNamens(possessive)