niw, /niβ̞/, /nyʊ̯/
Herkomsterfwoord, in de betekenis van ‘pas ontstaan’ voor het eerst aangetroffen in 1040
- recentelijk gemaakt; nog niet eerder aanwezig
“Dat is het nieuwe huis dat gisteren pas afgerond is.”
“Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.”
“De ontwikkelingen gaan hard en dat betekent dat de Europese auto-industrie het de komende jaren nog knap lastig kan krijgen. "Een Duits autobedrijf doet er ongeveer vijf tot zeven jaar over om een nie”
- recentelijk ontdekt
“Dit is een nieuwe diersoort.”
- huidige
“Ik heb een nieuwe fiets, want de vorige is kapot.”
“`Ik weet het; zei de majordomus. 'Het was ijdele hoop dat dit u zou ontgaan. Ik vraag u met klem de grootmoedigheid op te brengen om mijn nederige excuses te aanvaarden. Deze uit de toon vallende deco”
- onderscheidt nieuwere namen van oudere
- in originele staat, nog niet eerder gebruikt
“Koop je een nieuwe of een tweedehands?”
- vreemd, onbekend
“Dat idee is tamelijk nieuw voor mij.”
- recentelijk aangekomen of opgedoken
“Dat is de nieuwe medewerker.”
Vormennieuwer(uninflected, comparative) · nieuwst(uninflected, superlative) · nieuwe(inflected, positive) · nieuwere(inflected, comparative) · nieuwste(inflected, superlative) · nieuws(partitive, positive) · nieuwers(partitive, comparative)